Juwelier



Het woord 'juwelier' verwijst zowel naar de persoon die in juwelen handelt, de juwelenhandelaar, als naar diens winkel, de juwelierszaak. Die handelspanden verschijnen in Nederland vooral vanaf de 17de eeuw, de zogenaamde Gouden Eeuw: een periode waarin de grote rijkdom van het land en zijn bewoners getoond mag worden.

De vroegste juweliers zijn hier edelsmeden (goudsmeden, zilversmeden), die hun juwelen vooral maken op bestelling van vooraanstaande kooplui. Van een winkel met vitrine en voorraad is nog geen sprake. De edelsmid blijft in de eerste plaats een metaalbewerker gespecialiseerd in edelmetalen, zoals goud, zilver, platina en (later) palladium en titanium. Modernere, onedele materialen zoals aluminium, rvs of rubber staan nog niet op de werklijst. 

Als ambacht is de smeedkunst overigens veel ouder dan de 17de eeuw. De vroegte vondsten van (gouden) sieraden dateren al van in het Neolithicum. Eens het bronzen tijdperk en de kunst van het brons gieten intreedt, explodeert de ontwikkeling van het ambacht.

In Europa piekt het vak zo voor het eerst in de Middeleeuwen, vanaf de 12de eeuw -- met name in de Nederlanden. Smeden zijn dan vaak nog monniken, die werken vanuit hun abdij. Regio's zoals het Maasland, het Rijnland en het Prinsbisdom Luik trekken de kar. Reinder van Hoei slaagt er hier als een van de eersten in om een vrijstaand, levensecht, expressief beeld te creëren. Zijn doopvont voor de Sint-Bartholomeüskerk in Luik wordt nog steeds gezien als een hoogtepunt van de Maaslandse kunstnijverheid. Met reliekhouders, kruisen en andere religieuze ornamenten in zilver of verguld koper worden ook smeden zoals Hugo van Oignies en Nicolaas van Verdun gerespecteerd. Technieken als reliëfvorming, filigrain en bruinvernis worden ontdekt, naast (de zetting van) bergkristallen, edelstenen en gemmen. Bekende werken zijn onder andere de Noodkist van Maastricht en het Mariaschrijn van Aken.