Parelmoer


Parelmoer (paarlemoer) is een organisch-anorganisch composietmateriaal dat door sommige weekdieren wordt geproduceerd als binnenschil. Meestal bestaat deze binnenlaag nochtans uit porcellaan, dat niet dezelfde glans heeft, noch hetzelfde kleurenspel laat zien. 

Parelmoer is iriserend, sterk en veerkrachtig. Het wordt gevonden in een aantal van de oudste weekdierengeslachten, bij tweekleppigen, kop- en buikpotigen. Bekende tweekleppige dragers zijn de pareloester en de zoetwaterparelmossel. Mariene buikpotigen zijn de Haliotidae, de Trochidae en de Turbinidae. Bij gekweekte parels zit het parelmoer in de buitenlaag van de schelp.

Hoe parelmoer zich vormt, is niet volledig geweten. Het ontstaan zou worden aangedreven door nano-deeltjes, die zich verzamelen in polykristallen om zo aan te groeien tot een kritische massa. Het vroegste stadium van parelmoer vangt aan wanneer deze massa versmelt tot bloedplaatjes. De kristalgroei wordt daarbij gestuurd door andere, aanwezige, organische stoffen. Tijdens dit proces zetten de kristallen ("stenen") uit en raken ze zo verbonden met aangrenzende stenen, zodat de dichte, hexagonale structuur van parelmoer ontstaat. Het verschil tussen parelmoer en soortgelijk gevormde materialen, zoals vezelachtig dragoniet, ligt hem dan voornamelijk in de groeisnelheid, die eerder traag is bij parelmoer-vorming.

Op commercieel gebied is de voornaamste leverancier van parelmoer lang de pareloester geweest, naast de zoetwaterparelmossel en de zeeoor. In de 20ste eeuw komen parelmoeren knopen dan weer vooral uit de schelpen van de Turbo Marmoratus en de Tectus Niloticus, 2 slakken. De internationale handel in parelmoer is ondertussen streng gereglementeerd in de Overeenkomst inzake de Internationale Handel in Bedreigde, in het Wild Levende Dier- en Plantensoorten.